Onze Rune is sinds maandag overgegaan naar het volgende klasje. Van onthaal- naar échte kleuterklas. De overgang ging best goed, maar de verandering bleek toch ook ingrijpend. Dat oudste kat Felix net goed twee dagen tevoren gestorven was, zal ook niet echt bijgedragen hebben tot zijn algemene stemming. En toch was hij blij en opgetogen. Kleine kindjes worden groot.
Nu zijn we donderdag en Rune gaat opgetogen naar school. Afgelopen dinsdag mochten ze nog eens bij vroegere juf Inn spelen, en daar keek hij enorm naar uit. Hij aarzelt ook niet om nog snel een aai of knuffel van juf Inn mee te pikken. Het is natuurlijk ook heel kort geweest, de tijd die hij bij haar mocht doorbrengen. Van net na de herfstvakantie tot vlak voor de krokusvakantie, met een goede maand afwezigheid door ziekte ertussendoor - dat is gewoon té kort.
Ook de directrice vond het bijzonder spijtig, maar het was echt een zaak van overmacht. Heel veel inschrijvingen na elke vakantie levert een instroom van 2,5-jarige pagadders op, die allemaal bij juf Inn in het klasje komen. Kleuterjuf is een zwaar beroep. Niet alleen fysiek, ook mentaal. Ik heb veel bewondering voor wat zij doen voor die kleine jongens en meisjes, die elke dag weer groeien en zichzelf en de wereld ontdekken, onder de bescherming en begeleiding van hun juffen. Te veel kindjes beknotten echter de mogelijkheden die een juf heeft, en dus werd er in Runes school actief gezocht naar oplossingen, resulterend in de doorstroming en het oprichten van een extra klasje. De directrice kwam woensdag persoonlijk in elk klasje kijken of de kindjes de overgang een beetje konden plaatsen. Die betrokkenheid, niet alleen met de kindjes maar uiteindelijk ook met de juf, vind ik persoonlijk geweldig.
En Rune doet het goed, na die verwarrende maandag. Over een maandje wordt hij alweer drie. De tijd gaat zo snel, hoe cliché dit ook mag klinken. Als mama beleef ik de tijd op een heel andere manier: naar de groei en ontwikkeling van mijn kind. Ik ben nu dus al druk bezig met de voorbereiding voor een kinderfeestje. Het eerste van ongetwijfeld vele. Gisteren sprak ik met enkele mama´s of hun kindjes naar Runes feestje mogen komen, omdat hun namen het vaakst genoemd worden thuis. En op elke vraag van de mama aan zoon/dochter of ze een keer bij Rune wilden spelen, was het antwoord volmondig JA. Da's fijn. Die glunderende gezichtjes in de wetenschap dat ze elkaar ook eens buiten school zullen zien - onbetaalbaar.
Ik ben een hele trotse mama, van een geweldige zoon.
donderdag 21 februari 2013
woensdag 13 februari 2013
Na Isangraille
Sinds de verschijning van Isangraille, het vierde en laatste deel in de fantasyreeks Zeríans Vloek, is het een beetje stil geworden van mijn kant. Ik moet bekennen dat het me moeilijk valt te geloven dat ik nog zoiets fenomenaals en groots zal kunnen neerzetten als het epische verhaal rond Thraës, Shin'Kahdir en Sayath. En toch...
Deze week kreeg ik een prachtig bericht van niemand minder dan Peter Schaap op mijn persoonlijke Facebookpagina. Een compliment waarvan ik vleugels kreeg, zo goed voelde het:
'Ik heb net Isangraille uit en daarmee je tetralogie. Op vijf sterren geef ik je vijfenenhalf, omdat je er, ten eerste, in bent geslaagd om onnavolgbaar te zijn in de hele reeks, maar ook vanwege de meest donderende climax die ik ooit heb gelezen en de koude rilling die je allerlaatste zin mij bezorgde, Pet af, zodat ik tijdelijk als `er' door het leven moet. Tijdelijk uiteraard omdat ik al 66 jaar met die naam ben vergroeid. In ieder geval: wat een prestatie, Thir. wat een prestatie!'
Dat zijn van die momenten dat ik inderdaad besef dat het een prestatie is: vier dikke pillen in de boekenkast, en dat niet alleen in de onze, maar ook in die van anderen, van vrienden en vriendinnen, van medeschrijvers en liefhebbers van het genre. Mijn boeken hebben mensen geraakt en meegenomen naar een wereld waar geen zwart-wit maar grijs heerst, waar mensen met bijzondere gaven ook gewoon mensen blijven en verbonden zijn door emoties en innerlijke strijd.
Tegelijk bedenk ik, best vaak moet ik toegeven, dat ik deze serie nooit aan de buitenwereld had kunnen laten zien zonder de hulp van wijlen mijn mentoren en schrijversvrienden John Vermeulen en Wim Stolk. Beide heren hadden een rotsvast geloof in mijn kunnen, en duwden me in de richting van een professionele schrijverscarrière zonder me ooit te zeggen waar mijn kwaliteiten in lagen. Ik moest het zelf maar uitzoeken. *grinnik* Zij waren echter de eerste stap in de richting van een uitgever - en Kramat heb ik veel te danken, niet alleen voor de kansen die ze me als schrijver boden, maar ook de mogelijkheden die ik er kreeg om andermans werk te redigeren. Waardoor ik nu verbonden ben aan het redactieteam van de Nederlandse uitgeverij Zilverspoor. Mijn plezier in redigeren, en kunde daarbij, zijn gevoed door een andere uitgeverij: de literaire uitgeverij Parelz. Correcties van mijn eigen verhalen door en gesprekken met Arie Elsenaar hebben me op een heel andere manier naar schrijven in het algemeen laten kijken, en mijn liefde voor taal alleen maar aangewakkerd. Hierbij wil ik ook mijn proeflezers niet vergeten: ook zij hebben mij bewuster naar mijn verhalen laten kijken, en hun eigen visies op de personages gegeven waardoor ik desgewenst kon verduidelijken, schrappen of bijsturen. Ik ben blij dat ik voor Zeríans Vloek een kundige proeflezerskring had, die hun vriendschap niet liet primeren boven kritiek. Aan ja-knikkers heb je als schrijver immers zo weinig. Je moet weten waar het in je verhaal schort, stroef loopt of juist te goed gaat. Zoals: waar een personage alleen maar bovendeks staat te zwalpen en een ander alleen maar met een minnaar tussen de lakens duikt zodat het hoofdpersonage kan horen wat ze tegen elkaar zeggen.
Zoals geschreven, zonder Kramat was Zeríans Vloek er misschien nooit geweest. De grote voordelen die deze uitgeverij me bood, bestonden er vooral in dat ik mijn eigen tempo mocht hanteren, en dat ze ondanks de huidige genretrend in het Vlaamse literaire landschap toch sterk in dit fantasy-epos geloofden. Daar ben ik hen nog altijd dankbaar voor. Vooral het eigen tempo was voor het schrijven van Isangraille erg belangrijk. Ik was hoogzwanger toen ik het derde deel Maanhoedster officieel aan het publiek presenteerde, en dus zou Isangraille tot stand moeten komen terwijl ik mijn pasgeboren kindje knuffelde, zijn papjes maakte en zijn luiers ververste. Dat was niet zo vanzelfsprekend, maar kijk, na ruim twee jaar belandde Isangraille dan toch in de mailbox van Kramat. Uitgever Wim is altijd al vol lof over mijn schrijfstijl geweest, maar na het lezen van Isangraille was hij toch wel zeer onder de indruk - en ik kan je vertellen dat de trots van je uitgever je een enorme boost kan geven.
Zodra Isangraille als boek verscheen, met wederom een prachtige cover door uitmuntend talent Iris Compiet, was het klaar. Het verhaal, bedoel ik. Ik voelde me een beetje eenzaam. Al die personages die ik moest laten gaan. Sommigen van hen hield ik al bij me sinds mijn vijftiende. En nu, ineens, was het klaar. Verdriet had ik al gehad tijdens het schrijven van de laatste hoofdstukken. Tranen met tuiten heb ik geweend, terwijl mijn personages hun verhaallijnen noodgedwongen volgden, om die donderende climax te bereiken waarover Peter het hierboven had.
Nu zijn we een halfjaar verder, heb ik werk van Clemens van Brunschot en Eisso Post geredigeerd (en me daar heel erg bij geamuseerd), heb ik Pen Stewart begeleid bij het uitwerken van haar Wintercode voor de Luitingh Manuscriptenwedstrijd waar ze tot mijn grote genoegen op de longlist terechtkwant (wat nog gevierd moet worden met een pannenkoekenfestijn), en probeer ik - worstelend met de fibromyalgie - de verhalenworkshop op Pure Fantasy toch tot een goed einde te brengen. En hoewel ik af en toe aan een nieuw fantasyproject werk, en aan een zogenaamd literaire roman, toch voel ik een gemis, een twijfelen. Zal ik ooit weer...? Weet je wel.
Misschien moet ik er niet te veel over nadenken. En gewoon doen. Butt in chair, zoals Wim Stolk het placht te zeggen. En zwerkstaren. Dat doe ik veel de laatste tijd. Orion staat elke avond zo helder boven onze achtertuin dat ik er niet naast kan kijken. En tijdens het zwerkstaren denk ik aan Wim, en aan John.
En dan ga ik maar weer wat verhaalweven. *glimlach*
Deze week kreeg ik een prachtig bericht van niemand minder dan Peter Schaap op mijn persoonlijke Facebookpagina. Een compliment waarvan ik vleugels kreeg, zo goed voelde het:
'Ik heb net Isangraille uit en daarmee je tetralogie. Op vijf sterren geef ik je vijfenenhalf, omdat je er, ten eerste, in bent geslaagd om onnavolgbaar te zijn in de hele reeks, maar ook vanwege de meest donderende climax die ik ooit heb gelezen en de koude rilling die je allerlaatste zin mij bezorgde, Pet af, zodat ik tijdelijk als `er' door het leven moet. Tijdelijk uiteraard omdat ik al 66 jaar met die naam ben vergroeid. In ieder geval: wat een prestatie, Thir. wat een prestatie!'
Dat zijn van die momenten dat ik inderdaad besef dat het een prestatie is: vier dikke pillen in de boekenkast, en dat niet alleen in de onze, maar ook in die van anderen, van vrienden en vriendinnen, van medeschrijvers en liefhebbers van het genre. Mijn boeken hebben mensen geraakt en meegenomen naar een wereld waar geen zwart-wit maar grijs heerst, waar mensen met bijzondere gaven ook gewoon mensen blijven en verbonden zijn door emoties en innerlijke strijd.
Tegelijk bedenk ik, best vaak moet ik toegeven, dat ik deze serie nooit aan de buitenwereld had kunnen laten zien zonder de hulp van wijlen mijn mentoren en schrijversvrienden John Vermeulen en Wim Stolk. Beide heren hadden een rotsvast geloof in mijn kunnen, en duwden me in de richting van een professionele schrijverscarrière zonder me ooit te zeggen waar mijn kwaliteiten in lagen. Ik moest het zelf maar uitzoeken. *grinnik* Zij waren echter de eerste stap in de richting van een uitgever - en Kramat heb ik veel te danken, niet alleen voor de kansen die ze me als schrijver boden, maar ook de mogelijkheden die ik er kreeg om andermans werk te redigeren. Waardoor ik nu verbonden ben aan het redactieteam van de Nederlandse uitgeverij Zilverspoor. Mijn plezier in redigeren, en kunde daarbij, zijn gevoed door een andere uitgeverij: de literaire uitgeverij Parelz. Correcties van mijn eigen verhalen door en gesprekken met Arie Elsenaar hebben me op een heel andere manier naar schrijven in het algemeen laten kijken, en mijn liefde voor taal alleen maar aangewakkerd. Hierbij wil ik ook mijn proeflezers niet vergeten: ook zij hebben mij bewuster naar mijn verhalen laten kijken, en hun eigen visies op de personages gegeven waardoor ik desgewenst kon verduidelijken, schrappen of bijsturen. Ik ben blij dat ik voor Zeríans Vloek een kundige proeflezerskring had, die hun vriendschap niet liet primeren boven kritiek. Aan ja-knikkers heb je als schrijver immers zo weinig. Je moet weten waar het in je verhaal schort, stroef loopt of juist te goed gaat. Zoals: waar een personage alleen maar bovendeks staat te zwalpen en een ander alleen maar met een minnaar tussen de lakens duikt zodat het hoofdpersonage kan horen wat ze tegen elkaar zeggen.
Zoals geschreven, zonder Kramat was Zeríans Vloek er misschien nooit geweest. De grote voordelen die deze uitgeverij me bood, bestonden er vooral in dat ik mijn eigen tempo mocht hanteren, en dat ze ondanks de huidige genretrend in het Vlaamse literaire landschap toch sterk in dit fantasy-epos geloofden. Daar ben ik hen nog altijd dankbaar voor. Vooral het eigen tempo was voor het schrijven van Isangraille erg belangrijk. Ik was hoogzwanger toen ik het derde deel Maanhoedster officieel aan het publiek presenteerde, en dus zou Isangraille tot stand moeten komen terwijl ik mijn pasgeboren kindje knuffelde, zijn papjes maakte en zijn luiers ververste. Dat was niet zo vanzelfsprekend, maar kijk, na ruim twee jaar belandde Isangraille dan toch in de mailbox van Kramat. Uitgever Wim is altijd al vol lof over mijn schrijfstijl geweest, maar na het lezen van Isangraille was hij toch wel zeer onder de indruk - en ik kan je vertellen dat de trots van je uitgever je een enorme boost kan geven.
Zodra Isangraille als boek verscheen, met wederom een prachtige cover door uitmuntend talent Iris Compiet, was het klaar. Het verhaal, bedoel ik. Ik voelde me een beetje eenzaam. Al die personages die ik moest laten gaan. Sommigen van hen hield ik al bij me sinds mijn vijftiende. En nu, ineens, was het klaar. Verdriet had ik al gehad tijdens het schrijven van de laatste hoofdstukken. Tranen met tuiten heb ik geweend, terwijl mijn personages hun verhaallijnen noodgedwongen volgden, om die donderende climax te bereiken waarover Peter het hierboven had.
Nu zijn we een halfjaar verder, heb ik werk van Clemens van Brunschot en Eisso Post geredigeerd (en me daar heel erg bij geamuseerd), heb ik Pen Stewart begeleid bij het uitwerken van haar Wintercode voor de Luitingh Manuscriptenwedstrijd waar ze tot mijn grote genoegen op de longlist terechtkwant (wat nog gevierd moet worden met een pannenkoekenfestijn), en probeer ik - worstelend met de fibromyalgie - de verhalenworkshop op Pure Fantasy toch tot een goed einde te brengen. En hoewel ik af en toe aan een nieuw fantasyproject werk, en aan een zogenaamd literaire roman, toch voel ik een gemis, een twijfelen. Zal ik ooit weer...? Weet je wel.
Misschien moet ik er niet te veel over nadenken. En gewoon doen. Butt in chair, zoals Wim Stolk het placht te zeggen. En zwerkstaren. Dat doe ik veel de laatste tijd. Orion staat elke avond zo helder boven onze achtertuin dat ik er niet naast kan kijken. En tijdens het zwerkstaren denk ik aan Wim, en aan John.
En dan ga ik maar weer wat verhaalweven. *glimlach*
vrijdag 18 januari 2013
Reflecties in de nacht
Wanneer de pijn zo erg is dat ik er midden in de nacht
wakker van word en niet meer kan slapen omdat ik niet meer weet hoe ik moet
liggen om mínder pijn te hebben, baant de vraag ´waarom?’ zich ongewild door al
mijn andere gedachten heen. Ondanks dat het een zinloze vraag is, want een
antwoord is er niet.
De pijn kwam, nestelde zich in al mijn gewrichten, in al mijn spieren en beïnvloedt zo al jarenlang mijn hele wezen – zonder de intentie om ooit eens weg te gaan. Ik ben blijkbaar een goede gastvrouw, zorg dat ik sterk genoeg ben om de pijn te dragen. Dat er dagen zijn dat ik niet weet waar kruipen, dat er dagen zijn dat ik liefst in een hoekje zit te janken als een dier in nood, daar trekt de pijn zich niets van aan. Laat staan van het feit dat ik er mijn baan door verloor.
Dat zijn de zwaarste momenten: beseffen dat er geen baan meer in het verschiet ligt, tenminste, niet in de 9-to-5 zin van het woord. Ik werk thuis: ik schrijf, ik redigeer – en ik durf te zeggen dat ik er best goed in ben. En als ik eerlijk ben:de pijn zou me wel eens in deze richting geduwd kunnen hebben. Niets gebeurt zonder reden. Indien ik mijn fulltime baan als psycholoog behouden had, was er van de serie Zeríans Vloek (Kramat Uitgeverij) wellicht nog lang geen sprake geweest, evenmin als van de verhalenbundel Balanceren (Parelz Uitgeverij). Elk nadeel heeft ook zijn voordeel, maar in mijn geval had het nadeel iets minder zwaar mogen doorwegen.
Nu, midden in de nacht, wanneer ik dit stukje schrijf, schijnt de maan op de ondergesneeuwde tuin. Een feeëriek zicht, waar ik even de tijd voor neem. Want als er iets is wat je leert wanneer je lichaam zo beperkt wordt in doen en laten, leer je te genieten van kleine dingen. Dramatisch? Nee, realistisch. Pijn is voor mij, en vele andere mensen met fibromyalgie, een constante aanwezigheid die van grote invloed is op dag en nacht. Om die pijn te kunnen dragen, moet je niet alleen sterk zijn, je moet ook een goed netwerk hebben. Een netwerk dat bereid is je te steunen op de goede en de minder goede, en ook de ronduit slechte momenten. Een netwerk dat bestaat uit specialisten en dierbaren. Vrienden. Familie. Gezin. In mijn geval ook katten *grinnik*
Ik ben
intussen aan het leren om het leven op een andere manier te benaderen. Soms lukt dat beter dan andere keren. Er zijn immers verschillende factoren die bijdragen tot een versterking van de pijn en het continue wikken en wegen over wat ik wel en niet mag doen, drukt niet zelden zwaar op mijn gemoed. Het feit dat ik me ook sociaal niet meer zo vrij kan bewegen als vroeger, heeft een ander soort (irreële?) angst gewekt: wat als ik vergeten word? En toch. Ja, pijn heeft me gevormd, maar als ik mensen uit
mijn omgeving mag geloven, is dat een verandering ten goede geweest. Toch zou
ik er niet om treuren, mocht de pijn genoeg van me krijgen. Echt niet.
De pijn kwam, nestelde zich in al mijn gewrichten, in al mijn spieren en beïnvloedt zo al jarenlang mijn hele wezen – zonder de intentie om ooit eens weg te gaan. Ik ben blijkbaar een goede gastvrouw, zorg dat ik sterk genoeg ben om de pijn te dragen. Dat er dagen zijn dat ik niet weet waar kruipen, dat er dagen zijn dat ik liefst in een hoekje zit te janken als een dier in nood, daar trekt de pijn zich niets van aan. Laat staan van het feit dat ik er mijn baan door verloor.
Dat zijn de zwaarste momenten: beseffen dat er geen baan meer in het verschiet ligt, tenminste, niet in de 9-to-5 zin van het woord. Ik werk thuis: ik schrijf, ik redigeer – en ik durf te zeggen dat ik er best goed in ben. En als ik eerlijk ben:de pijn zou me wel eens in deze richting geduwd kunnen hebben. Niets gebeurt zonder reden. Indien ik mijn fulltime baan als psycholoog behouden had, was er van de serie Zeríans Vloek (Kramat Uitgeverij) wellicht nog lang geen sprake geweest, evenmin als van de verhalenbundel Balanceren (Parelz Uitgeverij). Elk nadeel heeft ook zijn voordeel, maar in mijn geval had het nadeel iets minder zwaar mogen doorwegen.
Nu, midden in de nacht, wanneer ik dit stukje schrijf, schijnt de maan op de ondergesneeuwde tuin. Een feeëriek zicht, waar ik even de tijd voor neem. Want als er iets is wat je leert wanneer je lichaam zo beperkt wordt in doen en laten, leer je te genieten van kleine dingen. Dramatisch? Nee, realistisch. Pijn is voor mij, en vele andere mensen met fibromyalgie, een constante aanwezigheid die van grote invloed is op dag en nacht. Om die pijn te kunnen dragen, moet je niet alleen sterk zijn, je moet ook een goed netwerk hebben. Een netwerk dat bereid is je te steunen op de goede en de minder goede, en ook de ronduit slechte momenten. Een netwerk dat bestaat uit specialisten en dierbaren. Vrienden. Familie. Gezin. In mijn geval ook katten *grinnik*
donderdag 23 augustus 2012
Wie mist Troeleke?
Toen we een telefoontje kregen van onze dierenarts Joke
(Bergenstraat, Dessel) over een achtergelaten kitten van 5 maand met de vraag
of wij eventueel interesse hadden om ze tijdelijk op te vangen in de hoop dat
haar eigenaars contact zouden opnemen, kostte het een beetje overredingskracht
om manlief ervan te overtuigen dat dit voor een goede zaak was. Want uiteraard,
we hebben al 5 katten en een kitten erbij zou niet alleen de hiërarchie
overhoop gooien, maar ook de zorgen en verantwoordelijkheden vergroten. Het
feit dat de dierenarts er het hart van in was, omdat het kitten in kwestie –
Troeleke noemen we ze maar voorlopig – kerngezond is, en een prachtig dier
bovendien. De enige andere oplossing zou het asiel zijn, omdat ze natuurlijk
niet in de ziekenboeg kon blijven, en dáár zou ze pas echt dodelijk ziek kunnen
worden. Nee, dat risico wilden we toch niet nemen, en dus zei manlief “ja”. En
toen ik ‘m vroeg wat hem over de streep getrokken had, wetende dat als de
eigenaars het diertje niet komen ophalen, we Troeleke zelf zouden moeten
houden, zei hij: “Omdat ik van je hou.”
Marco weet natuurlijk hoe gek ik ben op katten, hoe het me
aan het hart gaat zoveel mogelijk dieren te redden.
En dus haalde ik Troeleke gisteren op.
Troeleke liep blijkbaar verloren in de tuin van een koppel waar reeds een hond en een kat leefden, en doordat ze er zo goed uitzag, meenden deze mensen dat ze na een poosje wel weer zou vertrekken. Niet was was minder waar: Troeleke bleef terugkomen. En dus brachten zij haar naar Joke.
Van bij het begin toonde ze zich al heel extravert en vinnig op een schattige manier. Ze kwam gelijk op me af, streek langs mijn been, maar de open deur van het kamertje waar de dierenarts haar had laten rondlopen, was een te grote uitdaging en ze speerde ervandoor. Gelukkig laat ze zich ook vrij gemakkelijk vangen ;-)
Het was toch met wat pijn in het hart dat de dierenarts afscheid van Troeleke nam. Ik snap ook perfect waarom: het is echt een ongelooflijk mooi dier, een getijgerde rosse met lang haar!
Troeleke liep blijkbaar verloren in de tuin van een koppel waar reeds een hond en een kat leefden, en doordat ze er zo goed uitzag, meenden deze mensen dat ze na een poosje wel weer zou vertrekken. Niet was was minder waar: Troeleke bleef terugkomen. En dus brachten zij haar naar Joke.
Van bij het begin toonde ze zich al heel extravert en vinnig op een schattige manier. Ze kwam gelijk op me af, streek langs mijn been, maar de open deur van het kamertje waar de dierenarts haar had laten rondlopen, was een te grote uitdaging en ze speerde ervandoor. Gelukkig laat ze zich ook vrij gemakkelijk vangen ;-)
Het was toch met wat pijn in het hart dat de dierenarts afscheid van Troeleke nam. Ik snap ook perfect waarom: het is echt een ongelooflijk mooi dier, een getijgerde rosse met lang haar!
Zodra we thuiskwamen, begon de kennismaking met zowel nieuwe
omgeving als vier nieuwsgierige en extreem achterdochtige katten. Vier, want de
vijfde, meneer Felix, had pas zeer laat op de avond door dat er een gaste was…
Geblaas en gegrom waren niet van de lucht, maar Troeleke liet zich niet doen.
Ze was heel vlot met het accepteren van de nieuwe situatie, ging spelen en eten
en drinken, en Marco was helemaal verkocht. Het was toen vooral Spook die het
meeste last van haar aanwezigheid leek te hebben: hij wilde zelf bij haar gaan
kijken, maar kreeg vervolgens een soort van angstaanval, die zich uitte in heel
snel ademen, blazen en grommen, en schuimbekken. Heel zielig. Maar het gebeurde
een keer of twee, drie en vervolgens ging hij bovenop de krabpaal liggen,
vanwaar hij ‘het erf’ goed in de smiezen kon houden.
Geen van ons is wakker geworden afgelopen nacht door vechtende katten of vallende bloempotten en ander klein grut.
Vanochtend lag er een briefje van manlief waarin hij stelde dat Troeleke goed gegeten had, en zelfs Spooks portie naar binnen gewerkt heeft. Bovendien loopt ze hier al rond alsof ze hier al jaren woont, de Troel.
Geen van ons is wakker geworden afgelopen nacht door vechtende katten of vallende bloempotten en ander klein grut.
Vanochtend lag er een briefje van manlief waarin hij stelde dat Troeleke goed gegeten had, en zelfs Spooks portie naar binnen gewerkt heeft. Bovendien loopt ze hier al rond alsof ze hier al jaren woont, de Troel.
Haar eerste pogingen tot contact verlopen intussen aardig,
mag ik wel zeggen. Haar speelse karakter brengt haar af en toe dicht bij een
andere kat, die dan heel verontwaardigd gaat blazen. Behalve Felix. Die miauwt
naar haar, kijkt naar haar en observeert haar doen en laten, en dat
betrekkelijk dicht in haar buurt. Zij komt ook naar hem, miauwt – nou ja,
‘blaasbalgt’ is een betere term – terug en probeert nu en dan dichter bij hem
te komen, daagt zelfs uit. De eerste ‘puma pounce’ deed ze bijna bovenop hem…!
En ze ging ook ineens achter Spook aan, toen die heel onnozel naar haar stond
te blazen. Dus ja, ze kan haar katje wel staan!
Op dit moment ligt ze uitgeteld op de bank te slapen.
Onze zoon is nog niet op. Ik vraag me af wat dat gaat geven, te meer omdat de katten dan ook ineens het hele huis weer tot hun beschikking hebben.
Maar wie dit prachtige tijgerkatje mist, neem alsjeblieft contact op met Joke Dilen, dierenarts in Dessel. Ik kan me voorstellen dat het verdriet groot moet zijn. Wij zorgen intussen goed voor haar.
Onze zoon is nog niet op. Ik vraag me af wat dat gaat geven, te meer omdat de katten dan ook ineens het hele huis weer tot hun beschikking hebben.
Maar wie dit prachtige tijgerkatje mist, neem alsjeblieft contact op met Joke Dilen, dierenarts in Dessel. Ik kan me voorstellen dat het verdriet groot moet zijn. Wij zorgen intussen goed voor haar.
woensdag 13 juni 2012
Onverhoeds alleenstaande mama-merel
Sinds een aantal weken nestelt er een heel dappere vrouwtjesmerel in de klimophaag. Op zich niet zo opmerkelijk, wetende dat er sinds vorig jaar al meerdere nesten zijn geweest en er op amper vijf meter van haar vandaan ook een koolmezenkoppel een flinke kroost grootbrengt.
Nee, het bijzondere aan deze merel is het feit dat ze alleen is. Er is geen papa-merel te bekennen, die haar komt voeren terwijl ze broedt. Ze rooit het allemaal alleen. Tijdens het weekend zag ik haar voor het eerst ook met voer naar het nest terugvliegen. Dat zit nu mooi verborgen achter weelderige klimop (dank u, regen), die het hopelijk ook tegen de ruige westenwind behoedt. Want tegen alle logica in heeft mama-merel haar nest op het westen gemaakt, en bovendien ook nog eens redelijk open, in plaats van te profiteren van de beschutting van de salix, de jasmijn of de ribes.
Gisteren ben ik speciaal onkruid gaan wieden, met een soort riek, waardoor de regenwormen dachten dat hun duistere wereld verging. Daar was mama-merelwel blij mee, getuige haar fanatieke getrappel in de omgewoelde en onkruidvrije aarde.
Toch blijft het maar de vraag hoe haar kindertjes het zullen redden. Een aflevering van Springwatch, jaren geleden, toonde immers het verhaal van een compleet uitgeputte pimpelmees die haar uitgebreide nageslacht dapper bleef voeren, tot ze er bijna aan bezweek - en ook een aantal kuikens het leven liet. En merelkuikens zijn sowieso al veeleisend: als je hun opdringerige hangerigheid na het uitvliegen vergelijkt met jonge mussen of mezen, dan is er heus een wereld van verschil. De zelfredzaamheid van laatstegenoemde vogelsoorten is vele malen groter. Of zou het bij de merelkuikens om een vorm van aangeleerde hulpeloosheid gaan - of erger: gemakzucht?
Afijn, er staan mama-merel nog harde tijden te wachten. Ik hou de riek bij de hand, zodat ik toch af en toe eens wat flinke voren in de aarde kan trekken, die de regenwormen naar de vraatzucht van haar merelkuikens kunnen leiden...
Nee, het bijzondere aan deze merel is het feit dat ze alleen is. Er is geen papa-merel te bekennen, die haar komt voeren terwijl ze broedt. Ze rooit het allemaal alleen. Tijdens het weekend zag ik haar voor het eerst ook met voer naar het nest terugvliegen. Dat zit nu mooi verborgen achter weelderige klimop (dank u, regen), die het hopelijk ook tegen de ruige westenwind behoedt. Want tegen alle logica in heeft mama-merel haar nest op het westen gemaakt, en bovendien ook nog eens redelijk open, in plaats van te profiteren van de beschutting van de salix, de jasmijn of de ribes.
Gisteren ben ik speciaal onkruid gaan wieden, met een soort riek, waardoor de regenwormen dachten dat hun duistere wereld verging. Daar was mama-merelwel blij mee, getuige haar fanatieke getrappel in de omgewoelde en onkruidvrije aarde.
Toch blijft het maar de vraag hoe haar kindertjes het zullen redden. Een aflevering van Springwatch, jaren geleden, toonde immers het verhaal van een compleet uitgeputte pimpelmees die haar uitgebreide nageslacht dapper bleef voeren, tot ze er bijna aan bezweek - en ook een aantal kuikens het leven liet. En merelkuikens zijn sowieso al veeleisend: als je hun opdringerige hangerigheid na het uitvliegen vergelijkt met jonge mussen of mezen, dan is er heus een wereld van verschil. De zelfredzaamheid van laatstegenoemde vogelsoorten is vele malen groter. Of zou het bij de merelkuikens om een vorm van aangeleerde hulpeloosheid gaan - of erger: gemakzucht?
Afijn, er staan mama-merel nog harde tijden te wachten. Ik hou de riek bij de hand, zodat ik toch af en toe eens wat flinke voren in de aarde kan trekken, die de regenwormen naar de vraatzucht van haar merelkuikens kunnen leiden...
dinsdag 15 mei 2012
Kuukske naar het Vogelopvangcentrum
De afgelopen dagen was het fijn om in de tuin te zijn: Kuukske kwam zodra ze mijn stem hoorde, en ik maakte een tjik-tjik geluid waardoor ze letterlijk van het andere eind van de tuin naar me toe snelde. Het was erg grappig om te zien, zo'n frêle pluizig zachtbruin vogeltje dat over het gras rent om zo snel mogelijk bij me te komen. Als ik onkruid wiedde, kwam ze bij me zitten en ik gooide haar af en toe een worm toe, die ze gretig naar binnen liet glijden. Zij praatte tegen mij en als ik "tjik-tjik" zei, kwam ze nog wat dichter.
Gisteren echter merkte ik voor het eerst de (dennen)naald die uit haar zieke oog stak. Ik liet het Marco zien, en hij vond het toch ook aardig zorgwekkend. Ik probeerde haar te vangen, en hoewel ze aanvankelijk probeerde weg te komen, kreeg ze het te lastig: ze moest nu op twee tweebenigen letten, en niet alleen op mij. Toen ze over een oude omgevallen regenton wilde klauteren, snaaide ik haar. Dan pas besef je ook hoe kwetsbaar en broos zo'n kleine vogel is. Dat hartje ging aan tweehonderd per uur, en ze schreeuwde eerst ook. En dan zagen we de naald. Die zat echt vast ín haar oog, en was zonder twijfel de oorzaak van de zware infectie. Want het oog is er nog, alleen zit het volledig dicht. Een tweede naald plakte aan het onderste lid, meer richting snavel.
Ik wilde me niet voorstellen hoeveel pijn ze moest hebben en zei Marco dat we het VOC moesten bellen. Vanwege onze goede ervaringen met het VOC Herenthout, waar we in februari een spreeuwtje heen brachten (knal tegen het raam, gespleten ondersnavel en fel bloeden, maar dankzij het VOC na een paar weken succesvol vrijgelaten), belden we eerst daarheen. Zij raadden ons - vooral gezien de afstand - aan naar het VOC Brasschaat te gaan.
Kuukske was het er intussen niet mee eens dat ze in een poezenreismand moest zitten wachten. Met een handdoek er nog eens extra overheen, zodat ze kalm kon worden, ging Marco op weg.
Hij kwam na een uur terug dat het bij Herenthout toch veel gemoedelijker en vriendelijker was... In Brasschaat waren ze aan het eten toen hij toekwam, en hij kreeg de boodschap om de vogel in de bak te doen en het formulier in te vullen. Dat was het enige persoonlijke contact, en dus een megagroot verschil met het VOC in Herenthout, waar hij nog een gesprek had met de mevrouw die het spreeuwtje een eerste check-up gaf.
Maar goed, Kuukske is nu in het VOC en we moeten hopen dat ze de naald met succes kunnen verwijderen én dat ze die operatie goed doorstaat.
Het ga je goed, Kuukske!
Zie ook eerdere blog: Kuukske
English version:
Gisteren echter merkte ik voor het eerst de (dennen)naald die uit haar zieke oog stak. Ik liet het Marco zien, en hij vond het toch ook aardig zorgwekkend. Ik probeerde haar te vangen, en hoewel ze aanvankelijk probeerde weg te komen, kreeg ze het te lastig: ze moest nu op twee tweebenigen letten, en niet alleen op mij. Toen ze over een oude omgevallen regenton wilde klauteren, snaaide ik haar. Dan pas besef je ook hoe kwetsbaar en broos zo'n kleine vogel is. Dat hartje ging aan tweehonderd per uur, en ze schreeuwde eerst ook. En dan zagen we de naald. Die zat echt vast ín haar oog, en was zonder twijfel de oorzaak van de zware infectie. Want het oog is er nog, alleen zit het volledig dicht. Een tweede naald plakte aan het onderste lid, meer richting snavel.
Ik wilde me niet voorstellen hoeveel pijn ze moest hebben en zei Marco dat we het VOC moesten bellen. Vanwege onze goede ervaringen met het VOC Herenthout, waar we in februari een spreeuwtje heen brachten (knal tegen het raam, gespleten ondersnavel en fel bloeden, maar dankzij het VOC na een paar weken succesvol vrijgelaten), belden we eerst daarheen. Zij raadden ons - vooral gezien de afstand - aan naar het VOC Brasschaat te gaan.
Kuukske was het er intussen niet mee eens dat ze in een poezenreismand moest zitten wachten. Met een handdoek er nog eens extra overheen, zodat ze kalm kon worden, ging Marco op weg.
Hij kwam na een uur terug dat het bij Herenthout toch veel gemoedelijker en vriendelijker was... In Brasschaat waren ze aan het eten toen hij toekwam, en hij kreeg de boodschap om de vogel in de bak te doen en het formulier in te vullen. Dat was het enige persoonlijke contact, en dus een megagroot verschil met het VOC in Herenthout, waar hij nog een gesprek had met de mevrouw die het spreeuwtje een eerste check-up gaf.
Maar goed, Kuukske is nu in het VOC en we moeten hopen dat ze de naald met succes kunnen verwijderen én dat ze die operatie goed doorstaat.
Het ga je goed, Kuukske!
Zie ook eerdere blog: Kuukske
English version:
The last couple of days it was real joy to be outside in the garden: Kuukske (ChickPie, a half blind blackbird chick that came to our garden approx. a month ago) came as soon as she heard my voice, and I made a “chick-chick” sound that made her run to me, even from the back of the garden. It was very funny to watch that tiny ball of soft-brown fluff running to me across the grass to get to me as soon as she possibly could. When I was weeding, she’d sit by me. The worms that I found, I threw at her, and she gobbled them up with great delight. She talked to me and I answered “chick-chick”, and she would come even closer.
Yesterday however I noticed the fir needle that stuck out of her sick eye. I showed it to Marco and ho got concerned as well. I tried to catch her, and although she tried to get away at first, she had difficulty keeping up: she had to keep one eye on two two-leggeds instead of only me. When she tried to scramble upon an old water-butt that had fallen over, I snatched her. Only then you realize how frail en vulnerable such a small bird really is. Her heart raced at 200km/hour and she yelled at first. And then we saw the fir needle. It was actually sticking out of ChickPie’s tiny eye, causing the serious infection that made her eye stay shut and moist. A second needle was sticking to her lower eye-lid, near her beak.
I did not even want to try to imagine the agony she had to experience, and told Marco we had to call the VOC (Bird Wildlife Center). Because of our nice previous encounter with the VOC at Herenthout where we delivered a starling last February (smack against the window, split lower-beak and bleeding like hell, but thanks to the VOC at Herenthout it was healed and released a couple of weeks afterwards), we first called them. But they advised us to inform a wildlife center nearer to where we live.
Meanswhile ChickPie was waiting in a cat travel basket – needless to say she was absolutely not amused. I put a towel over the basket so she could calm down, and Marco drove off to the VOC at Brasschaat.
He was back within the hour and told me that the people at Herenthout were friendlier and more dedicated. At Brasschaat he was told they were having dinner: Marco had to put ChickPie in a box and he had to fill in a form, with our address, e-mail, specifics concerning the bird etc. That was the little personal contact he had, and huge difference with Herenthout, where he had the chance to talk to the nice lady that gave the starling his first check-up.
Anyway, ChickPie is at the VOC and we sincerely hope that the people there are able to remove the fir needle, and that ChickPie survives the surgery.
Fare well, ChickPie!
He was back within the hour and told me that the people at Herenthout were friendlier and more dedicated. At Brasschaat he was told they were having dinner: Marco had to put ChickPie in a box and he had to fill in a form, with our address, e-mail, specifics concerning the bird etc. That was the little personal contact he had, and huge difference with Herenthout, where he had the chance to talk to the nice lady that gave the starling his first check-up.
Anyway, ChickPie is at the VOC and we sincerely hope that the people there are able to remove the fir needle, and that ChickPie survives the surgery.
Fare well, ChickPie!
vrijdag 4 mei 2012
Kuukske
Het is al het vierde merelkuiken sinds begin april dat onze tuin aandoet, zonder dat het hier geboren is. In de klimophaag die onze tuin van de buren scheidt, wacht een merelkoppel met zeker ongeduld op hun eigen broedsel. het vierde kuiken is nog erg jong en roept voortdurend naar zijn ouders. Ik heb nog niet ontdekt dat het gevoerd wordt, daar zal hij volgens mij toch stilaan zelf voor moeten zorgen.
Van die vier merelkuikens is er eentje gestorven: te pletter gevloten tegen de garagedeur. Daar hebben we nu kranten tegenaan geplakt. Om op zo'n manier een jonge vogel te verliezen, doet gewoon pijn. Ja, ik ben een softie. Maar het is softness waar ik trots op ben.
Het andere merelkuiken is gezond en wel en foerageert tussen de tuinen van ons en de buren. Het hapt af en toe een hapje mee van het speciale voer dat ik nog altijd strooi en laat zich wegdrummen door de spreeuwen, andere merels en de mussen.
En dan is er Kuukske.
Kuukske is half blind. Haar rechteroog was eerst nog een vochtige massa, haar wang een kleverig hoopje veren. Nu is er geen oogje meer. Maar Kuukske houdt vol. Elke volwassen merel, vooral de papa's, klampt ze aan om gevoerd te worden, hoewel ze perfect in staat is zelf de pieringen uit de grond te rukken. Die slaat ze dan even vakkundig dood voor ze ze in hun geheel opslokt. Ze eet ook graag van het voer dat ik strooi, en ze laat zich veel minder makkelijk wegdrummen door de andere vogels. Dat kan zijn omdat ze gewoon niet voldoende ziet, en dus ook niet voldoende gevaar kan inschatten. Ik hou mijn hart vast telkens ze midden op de klimophaag gaat zitten, en zo een fly-by snack voor de sperwer vormt. Als ik naar het tuinhuis loop, waar het voer ligt en waar ik de vogels ook laat eten, blijft ze zitten wachten. Ik praat tegen haar, en dan houdt ze haar kopje scheef, alsof ze luistert. Terwijl ik in het tuinhuis morrel, loopt ze dan toch een beetje weg. Ik strooi het voer en ga terug naar binnen. Tegen dat ik de deur dicht doe, zit ze al te eten.
Een geweldig mereltje, dat Kuukske.
Abonneren op:
Posts (Atom)

