donderdag 30 januari 2014

Blue Monday

De maandag van de laatste volle januariweek zou – naar men zegt, volgens bepaald (pseudo-)wetenschappelijk bewijs geleverd door de vader van de Blue Monday Cliff Arnall – de zwaarmoedigste dag van het hele jaar zijn. De reden: omdat men niet alleen hunkert naar de lente en maandag de eerste dag van de werkweek is, maar ook omdat al die prachtige voornemens die tijdens het rituele Oudejaaravondfeest onder luid trompetgeschal verkondigd zijn, nu reeds niet gehaald zijn.

Scusi?
Toen ik het in de krant las, die bewuste maandag, moest ik wel lachen. Voor mij geldt die Blue Monday-theorie alleszins niet. En blijkbaar voor de mensen die ik erover aansprak, ook niet. 
Commercieel is het natuurlijk goed gezien: wie depressief is, voelt zich misschien beter met een nieuw paar schoenen of een nieuw kleedje, of een doos pralines of een dvd-box van ’t een of ’t ander. Tijdens het zoeken naar een leuke afbeelding voor bij deze blog vond ik genoeg advertenties voor "10% off, Blue Monday Sale"...

Toegegeven, mijn voornemens zijn inderdaad niet allemaal even geslaagd, en het is nog maar eind januari. Maar al neem ik het mezelf erg kwalijk – per slot van rekening maakte ik die voornemens niet voor niets! – maar ik besluit dan heel wijs om er iets mee of aan te gaan doen. En dan maak ik over enkele maanden nog wel eens een evaluatie. Of je je voornemens houdt of niet, is uiteindelijk wel een eigen verantwoordelijkheid – er zijn weinig andere mensen die je daarvan de schuld kunt geven.

Neerslachtig worden vanwege het donkere weer is wel iets anders: het zijn nogal gloomy dagen de laatste tijd, koud en nat, met een ijzige wind die dwars door al mijn laagjes zorgvuldig gekozen kledij heen – dan heeft ons draakje van bijna vier het toch makkelijk, zo veilig achter mama’s rug op de fiets, die de wind trotseert met alle elektrische kracht van die zalige batterij.
De laatste paar dagen schijnt de zon wat meer, en dan voel ik me toch fysiek ook al een stuk lichter. Zelfs al kan ik niet doen wat ik gepland had om te doen, wegens buikgriepzieke kleuter. Toch heb ik vandaag onkruid gewied – lekker in de tuin, handen in de aarde, vogelgezang om me heen en de snoeischaar van de buurman op de achtergrond. Met een half oog op het huis gericht, mocht ik ons draakje ineens aan het raam zien staan.
Met een kind om me heen voelt de winter trouwens sowieso al minder donker, want ik heb altijd wel iets om me druk om te maken, haha. Ik heb gewoon ook niet altijd zoveel tijd meer om me zwaarmoedig te voelen over gemiste voornemens.

En als het te donker wordt, steek ik wel een triljoen theelichtjes aan.

(P.S.: ja, ik had deze blog misschien beter op een Blue Monday geschreven. Misschien was dat logischer. Maar logica en ik zijn nooit dikke vrienden geweest.)


woensdag 8 januari 2014

Boost


Niets leuker voor een schrijver dan complimenten te krijgen over je werk. Doorgaans gebeurt dat vlak na het verschijnen van een nieuwe publicatie. Wanneer het een tijdje stil geweest is, wanneer nieuw werk al geruime tijd in de diepvries heeft gelegen, dan is het niet meer dan logisch dat ook complimenten langzaam uitblijven.

Na de publicatie van Isangraille, het laatste deel van Zeríans Vloek, wist ik lange tijd niet meer wat gedaan. Telkens ik de pc opende, klikte ik uit pure gewoonte de folder met alle werk rond die fantasyreeks open – het kostte tegen alle verwachtingen in behoorlijk wat moeite om te accepteren dat het afgelopen was. Ook al liet ik een deur op een kier staan in dat allerlaatste hoofdstuk. Het blijft toch maar de vraag of lezers op een vervolg zitten te wachten, en dat nog los van het feit of ik het nog wel zou kunnen.
Ik heb namelijk geen fantasy meer geschreven sinds de verschijning van Isangraille. Op een of andere manier lijkt het me niet helemaal meer te lukken. Ik heb me toegelegd op alledaagse verhaalopzetten, in korte verhalen maar ook in lange termijnprojecten en in blogs, maar het is pas sinds kort dat ik me weer geëngageerd genoeg voel om de ideeën in mijn hoofd aan papier toe te vertrouwen.

De twee afgeronde korte verhalen die ik schreef, werden door de enkele vrienden die eerder al proeflazen, best goed onthaald. Dat was een eerste teken aan de wand: ik kan het nog, schrijven. Fijne gesprekken met een lieve vriendin (die me als extra aanmoediging een plotschriftje gaf) zorgden ervoor dat dat teken aan de wand een blijver was. Daarna kwamen de onverwachte mail van een uitgever die graag met mij wil samenwerken, en de vraag van een andere uitgever om een bijdrage te leveren voor een themanummer – dat gaf me een heuse schop terug op het schrijverspad.
Ook lezen heeft zijn positieve effecten op mijn hernieuwde liefde voor verhalenweverij niet gemist. Doorgaans wordt onze kleine draak voorgelezen door de papa, maar de laatste tijd ontdekte de kleine dat ook mama niet slecht is. En op zijn school begeleid ik kinderen van het tweede en derde leerjaar met niveaulezen.

Nu ik na die periode van stilte die nieuwe boost heb gekregen, ben ik weer dagelijks bezig met schrijven. Samen met mijn werk als redacteur bij uitgeverij Zilverspoor/Zilverbron maakt dat me weer duidelijk waar ik goed in ben: taal.
Ze zeggen weleens: schrijver is een eenzaam beroep. Ik zie het anders. Hoewel schrijven ook voor mij een passie is, iets waar ik eigenlijk niet zonder kan, zou ik zonder mijn vrienden en mijn lezers toch erg weinig ‘goesting’ hebben om iets deftigs op papier te zetten. Motivatie om een afgerond, geloofwaardig en aanvaardbaar verhaal uit te werken, komt niet alleen voort uit jezelf, maar ook uit je omgeving: een fijne recensie, een kritische uiteenzetting waar je wat mee kunt, een compliment, iets waardoor je je ineens veel groter voelt dan je bent. Boost!



vrijdag 3 januari 2014

Voornemens




Een nieuw jaar is elke keer weer aanleiding tot lijstjes die uitpuilen van goede voornemens. Het heeft een beetje een louterend effect; na een heel jaar vol niet-volgehouden-goede-voornemens krijg je uiteindelijk toch weer de kans om die “gemiste kansen” goed te maken.

Het is best lang geleden dat ik nog echt een lijstje maakte met de start van het nieuwe jaar, maar deze keer kon ik er niet aan weerstaan. Terwijl buiten het vuurwerk gierend door de lucht danste, en we met het Scrabblebord tussen ons in de hoogst mogelijke woordwaarde probeerden te bemachtigen, stelde ik de Vraag: wat neem jij je voor? Vreemd genoeg bleek ik degene met de meeste voornemens. *kuch* Er is werk aan de winkel!

Wat schrijven betreft, denk ik dat mijn belangrijkste voornemen is: de roman uitwerken waarvan ik de synopsis al heb geschreven. En nog enkele korte verhalen op papier zetten, want op een of andere manier ligt dat me best goed.
En: relativeren, leren accepteren dat sommige dingen zijn zoals ze zijn. Het zijn levenslessen maar ervaringen en confrontaties waaraan ik me nogal snel emotioneel laat vangen – en om mezelf sterker te maken, mag ik dat eigenlijk niet meer doen.

En dan straks, wanneer het weer december is en de dagen kort en donker worden, en overal kerstlichtjes gloeien, dan wordt het weer tijd om dat lijstje op te diepen en te kijken wat en of er iets afgevinkt kan worden.
Ik ben benieuwd…!

dinsdag 17 december 2013

Kleuterdraak


Hij is pas drieënhalf, maar soms zou ik zweren dat hij al twee jaar ouder is. Dat heeft niet zozeer te maken met zijn lengte, maar met zijn gedrag. Sinds hij naar school gaat, is hij opengebloeid van een verlegen, afwachtend peutertje tot een mondige kleuter die voor in de rij staat als het op deugnieterij en verhalen vertellen aankomt. Een stoer venteke dat weliswaar niet altijd weet wat hij wil (wil je boter op je boterham – nee, ja, nee, ik wil niet, ik wil toch) maar desondanks fel op zijn strepen kan staan als het erop aankomt.

Stoer met de bijhorende gestes, uiteraard: gebalde vuistjes uitdagend in de lucht gepunched, kwajongensgrijns onder glimmende oogjes en opgetrokken neusje, haartjes met gel tot de out-of-bed look gestyled. En dan de oorlogskreet: “Hotdogs!” Of: “Piemelballetjes!”, gevolgd door amper ingehouden gegrinnik. Trots op zijn nieuwe schoenen, trots op een nieuwe trui. Helemaal weg van dinosaurussen, met T-rex en dromaeosaurus voorop.
En dan kom je ook nog eens tot de constatatie dat je het beddengoed van je zoon van drieënhalf al een week niet hebt moeten verversen. Zeven nachten waarin hij rustig doorsliep, zonder huilend wakker te worden van een natte broek, zonder dat hij daar als een verloren schaapje in de badkamer staat te rillen terwijl je hem zijn pyjamaatje uittrekt en hem wast.

Ons draakje wordt groot. Even slaat de schrik je om het hart: het gaat zo snel. Zo is hij nog klein en hulpeloos, zo stuift ie zonder schrik de trap af om zo snel mogelijk met zijn nieuwe auto’s te gaan spelen. Morgen staat ie ineens naast je bed en vraagt om een brommer. Argh! Maar dan kan komt hij ineens bij je op schoot, slaat zijn armpjes om je nek en streelt je haar, terwijl hij met zijn plakmond tegen je wang mummelt: “Je weet dat ik van je hou, hè. Niet vergeten!” En dan wil hij weer even klein zijn. Je slaat je armen om hem heen, probeert de babygeur van weleer in zijn haartjes te ruiken – maar je ruikt alleen die gel, natuurlijk – en je voelt de zachtheid van zijn wangen. Laat het maar even duren, die kindertijd, waarin knuffels en kroelen nog opgeëist worden…

dinsdag 8 oktober 2013

Jongens zijn jongens, maar kijk uit voor de ´gender gap´

 
Laatst vertelde de kleuterjuf me met een halve grijns dat ze Rune en zijn beste vriendje Tomas tijdens de lunch uit elkaar moet zetten, omdat ze te veel gek doen en daardoor voor onrust zorgen tijdens het eten. Ik reageerde eerst met een “oh nee, echt waar?”, met zo’n ondertoon van moederlijke bezorgdheid, maar later, toen ik het deelde met anderen, vergoelijkte ik het al meer: “Wat wil je, twee jongens onder elkaar.”

Laat dan recent een interessant artikel in het DS Magazine verschenen zijn, getiteld “Wat is er aan de hand jongens?”, gericht op vooral het schoolleven. Wat al jaren geweten is, maar steeds als een hete ongewenste aardappel wordt doorgeschoven naar een ander departement: jongens en school, het is niet de beste combinatie. Volgens velen ligt het bij de jongens, die zich niet genoeg kunnen aanpassen, maar meer en meer raken anderen – experts, specialisten – ervan doordrongen dat het probleem niet bij de jongens ligt, maar bij het onderwijs: dat is, dixit onderwijssociologe aan UGent Mieke Van Houtte , “een keurslijf geworden waarin we elke leerling doen passen. Blijkbaar pas het systeem meisjes beter dan jongens”.
Volgens Inge Colen, directrice van De wereld van Indra, een vzw ter ondersteuning van jongeren, gaat ons onderwijssysteem ook te “verkrampt” om met jongens, juist omdat ons onderwijs zeer sterk op praten gericht is – en laat nu uitgerekend jongens geen echte babbelaars zijn… Jongens worden volgens Colen te weinig aangesproken op wie ze zijn en wat ze kunnen.
Ook het feit dat vooral vrouwen voor de klas staan, en veel minder mannen, doet de vraag rijzen of ons onderwijs te veel vervrouwelijkt, met als gevolg dat jongens eigenlijk meer meisjes moeten zijn of worden? Ik pik van andere mama’s op dat hun zoontjes op de lagere school vragende partij zijn voor les van een meester, want na al die juffen willen ze gewoon les van een man – en dat die jongens zich dan ook lekker in hun vel voelen in die klas.

Toegegeven, als ik naar onze spruit van drieënhalf kijk, dan zit hij de hele tijd te wippen, springen, kontwiegelen, rollen… Zelfs tijdens knutselen zit hij niet stil. Hij is het liefst bézig, actief, met armen en benen en ook nog eens zijn hoofd als het even kan. Hij leeft zich uit met zijn fiets en zijn step, met de bal en de korfbalmand van papa, hij rent en duikt, hij kleuterturnt (niet gewoon turnen, mama, kléúterturnen) en dat samen met zijn beste kameraad. De zeldzame rustmomenten spendeert hij voor tv, in bad en in bed – en zelfs dan is de kans zeer groot dat hij een of ander kunstje uitprobeert.
Soms word ik er gek van, eerlijk waar. Dat de kleuterjuf de twee kameraadjes uit elkaar moet halen tijdens het eten, kan ik dan ook perfect snappen. Ik vind het ook niet erg, want juf maakt ook geen enkel probleem van het wildebrasgedrag – ze heeft zelf een zoontje van hun leeftijd – en de kleuters krijgen voldoende kansen om hun energie kwijt te raken. Toch vraag ik me af hoe het gaat wanneer Rune naar de lagere school gaat. Is er dan nog plaats voor kwajongensachtige deugnieterij op de speelplaats en in de klas? “Orde in de klas, de boel onder controle: het blijft vaak het eerste streefdoel. Waardoor het potentieel van jongens te weinig wordt aangeboord” (DSM nr. 109, p. 20).

Jelle Jolens is neuropsycholoog en hoogleraar Brein, Leren en Educatie aan de VU Amsterdam en merkt op dat vragen aan beweeglijke kinderen om stil te zitten voor hen nu net een onmogelijke opdracht is, en het alsnog van hen eisen, is een vorm van afwijzing. Ik laat me er af en toe tot verleiden, het `Rune, zit nu eens stil`, en inderdaad: het werkt niet. Vragen om zelfs tijdens tv-kijken stil te zitten, is een onbegonnen werk. Het is niet dat hij niet wil, het sluipt er gewoon onbewust terug in: het wippen met zijn benen, het draaien met zijn voeten, het opspringen en dan weer gaan zitten. Ik kan me echter wel voorstellen dat zulk gedrag in klasverband niet altijd even gemakkelijk te hanteren is, maar om het volledig negatief te benaderen is natuurlijk ook geen oplossing. Jongens aanspreken op hun vaardigheden, zien waar ze wel goed in zijn, het is misschien de beste eerste stap die men in het onderwijs kan zetten. Want een splitsing van klassen, zoals in het artikel ter sprake komt, kan misschien werken voor bepaalde vakken, maar toch zeker niet meer voor de gehele schoolloopbaan – dat zou een gemiste kans zijn.
Jolens voegt eraan toe: “Het drukke en onderzoekende gedrag van veel jongens wordt vaak lastig gevonden. Maar de samenleving heeft wel nood aan mensen met peper in hun achterste; die uitvindingen doen, ondernemend zijn, een bedrijf uitzetten”.

Als ik zo naar Rune kijk, met zijn voorliefde voor turnoefeningen en schilderen – dan zou hij wel eens de eerste kunstenaar kunnen worden die schildert terwijl hij op de trampoline salto’s oefent…

dinsdag 24 september 2013

The Beauty of Nature


When I pulled the curtain this morning, there it was: A thick wall of fog. It was fairly magical to behold, I must say. The early hours of sunrise, and this white veil covering all.
Rune cried out in astonishment, he was very thrilled to go to school with all this fog around.

Before we set off, I pointed out a spider’s web, built like a pyramid, covered in morning dew’s beads and fog’s pearls. So beautiful. Rune was in awe. All the way down to school, we spotted those spider’s webs, one after the other, big ones and small ones, thin ones and thick ones – all covered in beads and pearls, glistening in the pale morning light, all draped and woven in hedges, shrubs and grasses alongside the road.

At school, I kissed Rune goodbye, and set off again, choosing the long way home, just to enjoy the beauty of nature. The Long Way leads through rural country, with meadows, cornfields and horse and cattle pastures. As I rode, I felt tiny droplets of fog clinging to my eyelashes, to my eyebrows and face. Even the tips of my shoes started to look kind of humid. I looked out for the lonely hare in the only lush meadow I pass there – the grass was glistening greyish white, but alas, no hare to be seen. You can’t have it all, now can you? There were a couple of chiffchaffs though, accompanied by a single wren that flung its inspiring song into the sky.

As I am writing, the sun is pushing the fog away. No more beads and pearls to be seen. But the sun brings this warm, golden gleam to all that was wet before – and thus brings another kind of beauty to the world.
I really do love nature.

dinsdag 10 september 2013

Verkeersveiligheid - tijd voor een beetje mindfulness

De fietsveiligheid van de schoolgaande jeugd staat ineens weer volop in de kijker – al moesten daarvoor eerst een triest aantal jongeren een (dodelijk) ongeluk krijgen. Met alle respect, maar de verkeersveiligheid tegenwoordig laat al veel langer te wensen over.
Gemeentes verschuilen zich achter ‘er staat al een bord maximum 30’ of achter ‘wij kunnen niets meer doen, de school is eveneens verantwoordelijk’. Intussen razen auto’s, vrachtwagens, motoren en bussen doodleuk aan meer dan 30 door de straten – en waar geen snelheidsbeperking geldt maar je misschien zou mogen uitgaan van gezond verstand, geldt het recht van de sterkste.

Wij wonen op pakweg 4km van de school waar onze zoon heen gaat. Voor mij betekent dat elke dag een halsbrekende toer door de dorpswijk, via een verboden-voor-auto’s wegeltje naar een doorgaande weg richting school. Onderweg kom ik geen enkel fietspad tegen, wel veel fietsers en voetgangers. De maximum toegelaten snelheid is 50km per uur. Er is amper een gemotoriseerd vehikel dat zich daaraan houdt; zij die er wel rekening mee houden, kan je op één hand tellen.
Sinds de school begonnen is, ben ik alweer bijna drie keer van de baan gereden, minstens één keer gecoupeerd door een wagen die dacht nog snel even voorlangs te schieten, en minstens twee keer moeten afremmen voor een wagen die van de andere kant kwam en een groep fietsers wilde inhalen – had ik in dat geval gewoon doorgereden, zoals feitelijk mijn recht was, had ik kloef op de auto gezeten. In die straat geldt ook een voorrang-van-rechts regel; misschien ideaal voor wagens, maar veel minder voor fietsers, niet in het minst omdat wagens aan hoge snelheid het kruispunt naderen en – zoals ik al meermaals mocht meemaken – niet eens kijken voor ze doorrijden. De laatste echt gevaarlijke weg waar we overheen moeten, is van middenbermpjes/vluchtheuveltjes voorzien. Nodeloos te zeggen dat zowat iedere chauffeur daar spookrijdt, omdat ze niet willen inhouden achter een fietser. Ook daar gebeuren vaak van die net-niet-ongelukken met scholieren, auto’s en vrachtverkeer.

Onze zoon van dik drie kan met zijn fietsje met zijwieltjes perfect van thuis tot school rijden. In de vakantie hebben we dat ook een paar keer gedaan. Maar in de vakantie rijdt het verkeer anders – minder gestressed, minder snel, minder gevaarlijk, en vooral minder veel. Nu is het geen doen meer, voor de veiligheid van mijzelf en onze zoon durf ik het niet aan. Andere ouders, met oudere kinderen zie ik voortdurend om zich heen kijken naar hun fietsend kroost, waarschuwend, roepend, paniekerig soms. Naar school fietsen is stressen. Eén misstap, en je ligt onder een auto.
Het zou makkelijk zijn om het naar de fietsers te schuiven. Ja, het is zo dat scholieren vaak niet voldoende uitkijken, dat ze zich niet voldoende bewust zijn van de gevaren, en zich dikwijls gedragen alsof zij de enigen op de weg zijn. Maar dat is algemeen bekend. Net zoals het algemeen bekend is dat men in de directe nabijheid van een school slechts 30km per uur mag rijden. Het is triest dat ook algemeen bekend is dat die snelheid nogal dikwijls met de voet (op het gaspedaal) getreden wordt.
Het kan geen kwaad om op de scholen meer lessen over verkeersveiligheid en –verantwoordelijkheid te geven. Het kan evenmin kwaad om chauffeurs van gemotoriseerde voertuigen (wagen, motor, tractor, vrachtwagen) bewust te maken van hun eigen gedrag op de weg, en hun verantwoordelijkheden jegens andere weggebruikers. Zeker waar er geen fiets- en/of voetpaden zijn, en waar deze paden niet gescheiden zijn van de rijbaan.

Waar wij wonen, zijn geen fietspaden. Ook geen voetpaden. Iedereen begeeft zich op de straat, waar men maximum 50km per uur mag. Deze straat is een directe doorsteekroute van de ene grote baan naar de andere, en naar een weegbrug wat verderop. Alle vrachtverkeer, alle tractoren en het gros der auto’s komt door die straat gedenderd. Aan meer dan 50 per uur. Ja, zelfs de vrachtwagens. Onze straat komt uit op die straat, wij wonen er vlak bij. Onze straat is een sluiproute voor het vrachtverkeer naar de weegbrug. Alles scheurt hier aan hoge snelheid door, hoe kort de straat ook is.
Ik heb daarover contact gehad met de gemeente. In juni. In augustus kreeg ik, na een tweede mail van mij, een reactie. De gemeente stelt dat ze de politie niet kan opdragen meer actie te ondernemen, maar dat men van de politie wel al ‘een flitswagen’ heeft geposteerd in die straat en dat goed opgevolgd heeft. Ik heb daar zelf nooit flitsauto’s gezien, en het gros der chauffeurs rijdt er nog altijd aan volle snelheid door. Maar goed. Er worden plannen voorzien voor de herinrichting van die straat – wat die dan mogen zijn, geen idee. Niemand in de buurt weet ergens van.
Had ik niet geklaagd, had ik ook niets geweten.
Hoe mogen wij dan begrijpen dat de gemeente zorgt voor zijn inwoners?
Als je elke dag, zoals een moeder in De Morgen stelt, op 1km tien keer je hart vasthoudt als je je kind met de fiets naar school brengt? Ik woon niet eens in een grote stad zoals zij, maar ik ervaar precies hetzelfde, en heus niet alleen als ik mijn kind naar school breng.
De gemeente zou meer mogen sensibiliseren, er moet een mentaliteitsverandering gebeuren, mensen moeten zien dat iedereen op de weg een verantwoordelijkheid heeft en dat het niet alleen om ‘snel snel snel’ gaat. Wees je bewust van wat je doet als je rijdt, wees je bewust van wat je ziet. Voel je gaspedaal onder je voet, voel de motor. En zie vooral die andere weggebruikers: auto’s, fietsers, voetgangers. Anticiperen is een kunst die velen ooit wel geleerd hebben, maar wellicht verleerd zijn. Het is iets wat ik van mijn eigen rijlessen altijd onthouden heb – mijn vader heeft me dat letterlijk ingepeperd. Kijk altijd vooruit!

Mindful driving, zou dat wat zijn?