maandag 25 maart 2013

Het korte verhaal

Afgelopen zaterdag ging in het prachtige Flagey-gebouw in Brussel de zesde schrijfdag van Creatief Schrijven door. Ik was er bij, voor de tweede keer pas. Maar het smaakte naar meer: ditmaal liet ik namelijk een stuk van mijn nieuwe manuscript onder de loep nemen. En ik leerde van Annelies Verbeke een grotere waarheid over het korte verhaal, waarvoor ik haar bijzonder dankbaar ben.

Uit de tekst ´Waar kort verhaal´ van de hand van Ali Smith die we in de reader meekregen wordt de vergelijking gemaakt tussen de roman als verlepte hoer en het korte verhaal als de lichtvoetige nimf. Op het einde van dat verhaal krijgt een aantal auteurs de kans aan te geven hoe zij het korte verhaal ervaren. Het mooist vind ik de stelling dat het korte verhaal een sprong in iemands leven is, dat je als lezer mee surft op de golven die op dat moment dat leven beheersen. Dat je zelf bepaalde informatie uit dat leven moet gissen, dat je je de subtekst eigen moet maken volgens je eigen creatieve inzichten.

Natuurlijk had ik al waardering voor het korte verhaal; de verschijning van mijn verhalenbundel ´Balanceren´ bij Literaire Uitgeverij Parelz is daar het levende bewijs van. Toch heeft Annelies me op een totaal andere manier naar korte verhalen laten kijken, zoals Arie Elsenaar dat ook al deed toen ik pas begon met korte verhalen schrijven. Die aanvullende inzichten zorgen ervoor dat ik het korte verhaal veel hoger inschat dan voorheen. Dat het grote publiek nog niet warmloopt voor korte verhalenbundels, ligt – in mijn ogen – gedeeltelijk aan de onbekendheid van de waarde ervan, maar ook aan het vooroordeel dat een kort verhaal nooit zo interessant en onderhoudend kan zijn als een roman. Een roman geeft de kans aan de lezer om zich binnen een bepaald tijsbestek een verhaal eigen te maken, waarin twee of meerdere verhaallijnen elkaar ontmoeten, elkaar volgen, zich met elkaar verweven en zodoende een beetje in de war geraken waardoor de plotuitwerking bijzonder spannend kan worden. In het korte verhaal gaat het allemaal een beetje sneller. Als auteur speel je niet alleen korter op de bal, ook het taalgebruik is krachtiger, accurater – en de personages net zo. Het evenwicht vinden tussen welke informatie je snel deelt met je lezer, en welke je achterhoudt tot een ander moment (of helemaal niet deelt), blijft balanceren op een dunne koord. Hetzelfde geldt voor een roman, uiteraard, maar op een of andere manier voelt het voor mij alsof je daar meer tijd hebt. Het korte verhaal is meer een uitdaging. Een onderhuids laagje verweven waarmee je de lezer overvalt, waarmee je hem of haar laat nadenken – meer dan in een ‘gewone’ roman. Het verhaal ‘Why dpn’t you dance?’ van Raymond Carver is daar een mooi  voorbeeld van. Het is een verhaal dat me, na de analyse ervan, grondig raakte – een verhaal over eenzaamheid. Ik vind de korte verhalen die tot nadenkend stemmen, de verhalen waarvan de eindes het meest intrigeren en uiteindelijk de kern van het verhaal bevatten, de meest waardevolle – ontdekte ik.

Vandaar dat ik eerder stelde dat ik een grote waardering voor het korte verhaal gekregen heb. Het is dus niet zo dat de waardering er eerder niet was, maar meer dat mijn waardering breder geworden is. Dat ik zelf veel zin heb gekregen om een aantal korte verhalen te schrijven met een subtekst die de lezer grijpt, die het artistieke gevoel van de lezer aanspreekt. Dat is wat wil bereiken. En ik ben er verdraaid zeker van dat het zal lukken ook.

donderdag 28 februari 2013

Spelletjes!

Sinds de herfst speelt Rune erg graag memory, en hij is er goed in. Tegenwoordig houdt hij ook veel van puzzelen en het spelletje Boomgaard. Een hele nieuwe wereld gaat open!

Toen we pas begonnen met memory – het oude spel dat mijn broer en ik vroeger speelden - ging het nog met de kaartjes open en niet meer dan twaalf. Na enkele keren echter zei Rune zelf: ´Mama, moet ze omdraaien!´ En vanaf dat moment ging het alleen maar beter: het aantal kaartjes verhoogde van twaalf naar zestien naar vierentwintig. Rune wint vaker dan ik, al heeft hij soms nog moeite met het ´elk om beurt´-idee. Het memory-spelletje dat hij van Danja kreeg, toen we op visite waren bij Peter en Claire, is een van zijn favorieten tegenwoordig. Molletje op de step, molletje op de fiets, molletje in de auto… Hij vindt ze uiteindelijk allemaal. En bewust. Ik zie dat handje gaan, zo gericht als maar kan, naar het kaartje dat hem laat winnen. Schitterend gewoon.

Sinds hij naar school gaat, is zijn interesse in puzzelen ook toegenomen. Tot vorig jaar had hij één houten puzzel, van twaalf stukken. Die maakte hij in een oogwenk, net als alle inlegpuzzels die hij heeft liggen. Lange tijd boeide het hem niet. Het duurde even voor wij doorkregen dat hij wellicht uitdaging miste. School veranderde veel. Ineens ontdekte hij zijn puzzels opnieuw en viel onze halve euro dat we naar de winkel moesten. Nieuwe puzzels halen. Hij heeft er nu drie, van om en bij de vijftig stukjes. En die maakt hij, weliswaar met enige hulp, maar hij maakt ze wel. Op school echter liet hij uitschijnen dat hij niet meer dan vier stukjes aankon. Op ouderavond vertelden we zijn juf hoe hij het thuis deed. Ze was niet verbaasd, ze had het vermoeden wel dat hij meer aankon. Dus enkele dagen later verraste ze hem met een puzzel van vierentwintig stukjes. Die hij maakte, met een beetje hulp. Op een briefje dat juf meegaf, schreef ze: ´Knap!´

En dan is er Boomgaard. Een leuk spelletje dat met het hele gezin, maar ook alleen gespeeld kan worden, over een raaf die fruit uit de boomgaard pikt terwijl jij zo snel mogelijk alle fruit moet plukken. De dobbelsteen heeft kleurtjes en natuurlijk de afbeelding van de raaf. Elke keer ligt Rune in een deuk – hij zit gewoon te wachten tot die raaf gegooid wordt, want papa zegt dan heel maf: ´Raaaaaaaaaf!´ En dan mag het raaf-pionnetje een stapje vooruit zetten en het fruit pikken. Je mag één keer raden wie er het meeste wint. Juist ja. Rune.

Spelletjes spelen verandert een kind. Ten goede, bedoel ik. Ik zie hoe Rune elke keer weer leert, dat hij meer en meer begrijpt wat de regels zijn en dat hij zich daaraan moet houden, dat er een volgorde is waarin gespeeld wordt en dat er bepaald verwachtingen zijn: het gooien van die dobbelsteen wekt al schittering in Runes oogjes, want wat zou er deze keer gebeuren? En hoe hij ons dan helpt: ´Papa, je hebt een rode, je moet een kers pakken.´

Los daarvan betekent spelletjes spelen intense kwaliteitstijd samen. Tegenwoordig kan je daar niet genoeg van hebben.

donderdag 21 februari 2013

Kleine kindjes...

Onze Rune is sinds maandag overgegaan naar het volgende klasje. Van onthaal- naar échte kleuterklas. De overgang ging best goed, maar de verandering bleek toch ook ingrijpend. Dat oudste kat Felix net goed twee dagen tevoren gestorven was, zal ook niet echt bijgedragen hebben tot zijn algemene stemming. En toch was hij blij en opgetogen. Kleine kindjes worden groot.

Nu zijn we donderdag en Rune gaat opgetogen naar school. Afgelopen dinsdag mochten ze nog eens bij vroegere juf Inn spelen, en daar keek hij enorm naar uit. Hij aarzelt ook niet om nog snel een aai of knuffel van juf Inn mee te pikken. Het is natuurlijk ook heel kort geweest, de tijd die hij bij haar mocht doorbrengen. Van net na de herfstvakantie tot vlak voor de krokusvakantie, met een goede maand afwezigheid door ziekte ertussendoor - dat is gewoon té kort.
Ook de directrice vond het bijzonder spijtig, maar het was echt een zaak van overmacht. Heel veel inschrijvingen na elke vakantie levert een instroom van 2,5-jarige pagadders op, die allemaal bij juf Inn in het klasje komen. Kleuterjuf is een zwaar beroep. Niet alleen fysiek, ook mentaal. Ik heb veel bewondering voor wat zij doen voor die kleine jongens en meisjes, die elke dag weer groeien en zichzelf en de wereld ontdekken, onder de bescherming en begeleiding van hun juffen. Te veel kindjes beknotten echter de mogelijkheden die een juf heeft, en dus werd er in Runes school actief gezocht naar oplossingen, resulterend in de doorstroming en het oprichten van een extra klasje. De directrice kwam woensdag persoonlijk in elk klasje kijken of de kindjes de overgang een beetje konden plaatsen. Die betrokkenheid, niet alleen met de kindjes maar uiteindelijk ook met de juf, vind ik persoonlijk geweldig.

En Rune doet het goed, na die verwarrende maandag. Over een maandje wordt hij alweer drie. De tijd gaat zo snel, hoe cliché dit ook mag klinken. Als mama beleef ik de tijd op een heel andere manier: naar de groei en ontwikkeling van mijn kind. Ik ben nu dus al druk bezig met de voorbereiding voor een kinderfeestje. Het eerste van ongetwijfeld vele. Gisteren sprak ik met enkele mama´s of hun kindjes naar Runes feestje mogen komen, omdat hun namen het vaakst genoemd worden thuis. En op elke vraag van de mama aan zoon/dochter of ze een keer bij Rune wilden spelen, was het antwoord volmondig JA. Da's fijn. Die glunderende gezichtjes in de wetenschap dat ze elkaar ook eens buiten school zullen zien - onbetaalbaar.

Ik ben een hele trotse mama, van een geweldige zoon.

woensdag 13 februari 2013

Na Isangraille

Sinds de verschijning van Isangraille, het vierde en laatste deel in de fantasyreeks Zeríans Vloek, is het een beetje stil geworden van mijn kant. Ik moet bekennen dat het me moeilijk valt te geloven dat ik nog zoiets fenomenaals en groots zal kunnen neerzetten als het epische verhaal rond Thraës, Shin'Kahdir en Sayath. En toch...

Deze week kreeg ik een prachtig bericht van niemand minder dan Peter Schaap op mijn persoonlijke Facebookpagina. Een compliment waarvan ik vleugels kreeg, zo goed voelde het:
'Ik heb net Isangraille uit en daarmee je tetralogie. Op vijf sterren geef ik je vijfenenhalf, omdat je er, ten eerste, in bent geslaagd om onnavolgbaar te zijn in de hele reeks, maar ook vanwege de meest donderende climax die ik ooit heb gelezen en de koude rilling die je allerlaatste zin mij bezorgde, Pet af, zodat ik tijdelijk als `er' door het leven moet. Tijdelijk uiteraard omdat ik al 66 jaar met die naam ben vergroeid. In ieder geval: wat een prestatie, Thir. wat een prestatie!'
Dat zijn van die momenten dat ik inderdaad besef dat het een prestatie is: vier dikke pillen in de boekenkast, en dat niet alleen in de onze, maar ook in die van anderen, van vrienden en vriendinnen, van medeschrijvers en liefhebbers van het genre. Mijn boeken hebben mensen geraakt en meegenomen naar een wereld waar geen zwart-wit maar grijs heerst, waar mensen met bijzondere gaven ook gewoon mensen blijven en verbonden zijn door emoties en innerlijke strijd.
Tegelijk bedenk ik, best vaak moet ik toegeven, dat ik deze serie nooit aan de buitenwereld had kunnen laten zien zonder de hulp van wijlen mijn mentoren en schrijversvrienden John Vermeulen en Wim Stolk. Beide heren hadden een rotsvast geloof in mijn kunnen, en duwden me in de richting van een professionele schrijverscarrière zonder me ooit te zeggen waar mijn kwaliteiten in lagen. Ik moest het zelf maar uitzoeken. *grinnik* Zij waren echter de eerste stap in de richting van een uitgever - en Kramat heb ik veel te danken, niet alleen voor de kansen die ze me als schrijver boden, maar ook de mogelijkheden die ik er kreeg om andermans werk te redigeren. Waardoor ik nu verbonden ben aan het redactieteam van de Nederlandse uitgeverij Zilverspoor. Mijn plezier in redigeren, en kunde daarbij, zijn gevoed door een andere uitgeverij: de literaire uitgeverij Parelz. Correcties van mijn eigen verhalen door en gesprekken met Arie Elsenaar hebben me op een heel andere manier naar schrijven in het algemeen laten kijken, en mijn liefde voor taal alleen maar aangewakkerd. Hierbij wil ik ook mijn proeflezers niet vergeten: ook zij hebben mij bewuster naar mijn verhalen laten kijken, en hun eigen visies op de personages gegeven waardoor ik desgewenst kon verduidelijken, schrappen of bijsturen. Ik ben blij dat ik voor Zeríans Vloek een kundige proeflezerskring had, die hun vriendschap niet liet primeren boven kritiek. Aan ja-knikkers heb je als schrijver immers zo weinig. Je moet weten waar het in je verhaal schort, stroef loopt of juist te goed gaat. Zoals: waar een personage alleen maar bovendeks staat te zwalpen en een ander alleen maar met een minnaar tussen de lakens duikt zodat het hoofdpersonage kan horen wat ze tegen elkaar zeggen.


Zoals geschreven, zonder Kramat was Zeríans Vloek er misschien nooit geweest. De grote voordelen die deze uitgeverij me bood, bestonden er vooral in dat ik mijn eigen tempo mocht hanteren, en dat ze ondanks de huidige genretrend in het Vlaamse literaire landschap toch sterk in dit fantasy-epos geloofden. Daar ben ik hen nog altijd dankbaar voor. Vooral het eigen tempo was voor het schrijven van Isangraille erg belangrijk. Ik was hoogzwanger toen ik het derde deel Maanhoedster officieel aan het publiek presenteerde, en dus zou Isangraille tot stand moeten komen terwijl ik mijn pasgeboren kindje knuffelde, zijn papjes maakte en zijn luiers ververste. Dat was niet zo vanzelfsprekend, maar kijk, na ruim twee jaar belandde Isangraille dan toch in de mailbox van Kramat. Uitgever Wim is altijd al vol lof over mijn schrijfstijl geweest, maar na het lezen van Isangraille was hij toch wel zeer onder de indruk - en ik kan je vertellen dat de trots van je uitgever je een enorme boost kan geven.
Zodra Isangraille als boek verscheen, met wederom een prachtige cover door uitmuntend talent Iris Compiet, was het klaar. Het verhaal, bedoel ik. Ik voelde me een beetje eenzaam. Al die personages die ik moest laten gaan. Sommigen van hen hield ik al bij me sinds mijn vijftiende. En nu, ineens, was het klaar. Verdriet had ik al gehad tijdens het schrijven van de laatste hoofdstukken. Tranen met tuiten heb ik geweend, terwijl mijn personages hun verhaallijnen noodgedwongen volgden, om die donderende climax te bereiken waarover Peter het hierboven had.
Nu zijn we een halfjaar verder, heb ik werk van Clemens van Brunschot en Eisso Post geredigeerd (en me daar heel erg bij geamuseerd), heb ik Pen Stewart begeleid bij het uitwerken van haar Wintercode voor de Luitingh Manuscriptenwedstrijd waar ze tot mijn grote genoegen op de longlist terechtkwant (wat nog gevierd moet worden met een pannenkoekenfestijn), en probeer ik - worstelend met de fibromyalgie - de verhalenworkshop op Pure Fantasy toch tot een goed einde te brengen. En hoewel ik af en toe aan een nieuw fantasyproject werk, en aan een zogenaamd literaire roman, toch voel ik een gemis, een twijfelen. Zal ik ooit weer...? Weet je wel.  
Misschien moet ik er niet te veel over nadenken. En gewoon doen. Butt in chair, zoals Wim Stolk het placht te zeggen. En zwerkstaren. Dat doe ik veel de laatste tijd. Orion staat elke avond zo helder boven onze achtertuin dat ik er niet naast kan kijken. En tijdens het zwerkstaren denk ik aan Wim, en aan John.
En dan ga ik maar weer wat verhaalweven. *glimlach*

vrijdag 18 januari 2013

Reflecties in de nacht

Wanneer de pijn zo erg is dat ik er midden in de nacht wakker van word en niet meer kan slapen omdat ik niet meer weet hoe ik moet liggen om mínder pijn te hebben, baant de vraag ´waarom?’ zich ongewild door al mijn andere gedachten heen. Ondanks dat het een zinloze vraag is, want een antwoord is er niet.

De pijn kwam, nestelde zich in al mijn gewrichten, in al mijn spieren en beïnvloedt zo al jarenlang mijn hele wezen – zonder de intentie om ooit eens weg te gaan. Ik ben blijkbaar een goede gastvrouw, zorg dat ik sterk genoeg ben om de pijn te dragen. Dat er dagen zijn dat ik niet weet waar kruipen, dat er dagen zijn dat ik liefst in een hoekje zit te janken als een dier in nood, daar trekt de pijn zich niets van aan. Laat staan van het feit dat ik er mijn baan door verloor.
Dat zijn de zwaarste momenten: beseffen dat er geen baan meer in het verschiet ligt, tenminste, niet in de 9-to-5 zin van het woord. Ik werk thuis: ik schrijf, ik redigeer – en ik durf te zeggen dat ik er best goed in ben. En als ik eerlijk ben:de pijn zou me wel eens in deze richting geduwd kunnen hebben. Niets gebeurt zonder reden. Indien ik mijn fulltime baan als psycholoog behouden had, was er van de serie Zeríans Vloek (Kramat Uitgeverij) wellicht nog lang geen sprake geweest, evenmin als van de verhalenbundel Balanceren (Parelz Uitgeverij). Elk nadeel heeft ook zijn voordeel, maar in mijn geval had het nadeel iets minder zwaar mogen doorwegen.

Nu, midden in de nacht, wanneer ik dit stukje schrijf, schijnt de maan op de ondergesneeuwde tuin. Een feeëriek zicht, waar ik even de tijd voor neem. Want als er iets is wat je leert wanneer je lichaam zo beperkt wordt in doen en laten, leer je te genieten van kleine dingen. Dramatisch? Nee, realistisch. Pijn is voor mij, en vele andere mensen met fibromyalgie, een constante aanwezigheid die van grote invloed is op dag en nacht. Om die pijn te kunnen dragen, moet je niet alleen sterk zijn, je moet ook een goed netwerk hebben. Een netwerk dat bereid is je te steunen op de goede en de minder goede, en ook de ronduit slechte momenten. Een netwerk dat bestaat uit specialisten en dierbaren. Vrienden. Familie. Gezin. In mijn geval ook katten *grinnik*
Ik ben intussen aan het leren om het leven op een andere manier te benaderen. Soms lukt dat beter dan andere keren. Er zijn immers verschillende factoren die bijdragen tot een versterking van de pijn en het continue wikken en wegen over wat ik wel en niet mag doen, drukt niet zelden zwaar op mijn gemoed. Het feit dat ik me ook sociaal niet meer zo vrij kan bewegen als vroeger, heeft een ander soort (irreële?) angst gewekt: wat als ik vergeten word? En toch. Ja, pijn heeft me gevormd, maar als ik mensen uit mijn omgeving mag geloven, is dat een verandering ten goede geweest. Toch zou ik er niet om treuren, mocht de pijn genoeg van me krijgen. Echt niet.

donderdag 23 augustus 2012

Wie mist Troeleke?

 


Toen we een telefoontje kregen van onze dierenarts Joke (Bergenstraat, Dessel) over een achtergelaten kitten van 5 maand met de vraag of wij eventueel interesse hadden om ze tijdelijk op te vangen in de hoop dat haar eigenaars contact zouden opnemen, kostte het een beetje overredingskracht om manlief ervan te overtuigen dat dit voor een goede zaak was. Want uiteraard, we hebben al 5 katten en een kitten erbij zou niet alleen de hiërarchie overhoop gooien, maar ook de zorgen en verantwoordelijkheden vergroten. Het feit dat de dierenarts er het hart van in was, omdat het kitten in kwestie – Troeleke noemen we ze maar voorlopig – kerngezond is, en een prachtig dier bovendien. De enige andere oplossing zou het asiel zijn, omdat ze natuurlijk niet in de ziekenboeg kon blijven, en dáár zou ze pas echt dodelijk ziek kunnen worden. Nee, dat risico wilden we toch niet nemen, en dus zei manlief “ja”. En toen ik ‘m vroeg wat hem over de streep getrokken had, wetende dat als de eigenaars het diertje niet komen ophalen, we Troeleke zelf zouden moeten houden, zei hij: “Omdat ik van je hou.”
Marco weet natuurlijk hoe gek ik ben op katten, hoe het me aan het hart gaat zoveel mogelijk dieren te redden.

En dus haalde ik Troeleke gisteren op.
Troeleke liep blijkbaar verloren in de tuin van een koppel waar reeds een hond en een kat leefden, en doordat ze er zo goed uitzag, meenden deze mensen dat ze na een poosje wel weer zou vertrekken. Niet was was minder waar: Troeleke bleef terugkomen. En dus brachten zij haar naar Joke.
Van bij het begin toonde ze zich al heel extravert en vinnig op een schattige manier. Ze kwam gelijk op me af, streek langs mijn been, maar de open deur van het kamertje waar de dierenarts haar had laten rondlopen, was een te grote uitdaging en ze speerde ervandoor. Gelukkig laat ze zich ook vrij gemakkelijk vangen ;-)
Het was toch met wat pijn in het hart dat de dierenarts afscheid van Troeleke nam. Ik snap ook perfect waarom: het is echt een ongelooflijk mooi dier, een getijgerde rosse met lang haar!

Zodra we thuiskwamen, begon de kennismaking met zowel nieuwe omgeving als vier nieuwsgierige en extreem achterdochtige katten. Vier, want de vijfde, meneer Felix, had pas zeer laat op de avond door dat er een gaste was… Geblaas en gegrom waren niet van de lucht, maar Troeleke liet zich niet doen. Ze was heel vlot met het accepteren van de nieuwe situatie, ging spelen en eten en drinken, en Marco was helemaal verkocht. Het was toen vooral Spook die het meeste last van haar aanwezigheid leek te hebben: hij wilde zelf bij haar gaan kijken, maar kreeg vervolgens een soort van angstaanval, die zich uitte in heel snel ademen, blazen en grommen, en schuimbekken. Heel zielig. Maar het gebeurde een keer of twee, drie en vervolgens ging hij bovenop de krabpaal liggen, vanwaar hij ‘het erf’ goed in de smiezen kon houden.

Geen van ons is wakker geworden afgelopen nacht door vechtende katten of vallende bloempotten en ander klein grut.
Vanochtend lag er een briefje van manlief waarin hij stelde dat Troeleke goed gegeten had, en zelfs Spooks portie naar binnen gewerkt heeft. Bovendien loopt ze hier al rond alsof ze hier al jaren woont, de Troel.

Haar eerste pogingen tot contact verlopen intussen aardig, mag ik wel zeggen. Haar speelse karakter brengt haar af en toe dicht bij een andere kat, die dan heel verontwaardigd gaat blazen. Behalve Felix. Die miauwt naar haar, kijkt naar haar en observeert haar doen en laten, en dat betrekkelijk dicht in haar buurt. Zij komt ook naar hem, miauwt – nou ja, ‘blaasbalgt’ is een betere term – terug en probeert nu en dan dichter bij hem te komen, daagt zelfs uit. De eerste ‘puma pounce’ deed ze bijna bovenop hem…! En ze ging ook ineens achter Spook aan, toen die heel onnozel naar haar stond te blazen. Dus ja, ze kan haar katje wel staan!

Op dit moment ligt ze uitgeteld op de bank te slapen.
Onze zoon is nog niet op. Ik vraag me af wat dat gaat geven, te meer omdat de katten dan ook ineens het hele huis weer tot hun beschikking hebben.

Maar wie dit prachtige tijgerkatje mist, neem alsjeblieft contact op met Joke Dilen, dierenarts in Dessel. Ik kan me voorstellen dat het verdriet groot moet zijn. Wij zorgen intussen goed voor haar.

 

 


woensdag 13 juni 2012

Onverhoeds alleenstaande mama-merel

Sinds een aantal weken nestelt er een heel dappere vrouwtjesmerel in de klimophaag. Op zich niet zo opmerkelijk, wetende dat er sinds vorig jaar al meerdere nesten zijn geweest en er op amper vijf meter van haar vandaan ook een koolmezenkoppel een flinke kroost grootbrengt.

Nee, het bijzondere aan deze merel is het feit dat ze alleen is. Er is geen papa-merel te bekennen, die haar komt voeren terwijl ze broedt. Ze rooit het allemaal alleen. Tijdens het weekend zag ik haar voor het eerst ook met voer naar het nest terugvliegen. Dat zit nu mooi verborgen achter weelderige klimop (dank u, regen), die het hopelijk ook tegen de ruige westenwind behoedt. Want tegen alle logica in heeft mama-merel haar nest op het westen gemaakt, en bovendien ook nog eens redelijk open, in plaats van te profiteren van de beschutting van de salix, de jasmijn of de ribes.
Gisteren ben ik speciaal onkruid gaan wieden, met een soort riek, waardoor de regenwormen dachten dat hun duistere wereld verging. Daar was mama-merelwel blij mee, getuige haar fanatieke getrappel in de omgewoelde en onkruidvrije aarde.

Toch blijft het maar de vraag hoe haar kindertjes het zullen redden. Een aflevering van Springwatch, jaren geleden, toonde immers het verhaal van een compleet uitgeputte pimpelmees die haar uitgebreide nageslacht dapper bleef voeren, tot ze er bijna aan bezweek - en ook een aantal kuikens het leven liet. En merelkuikens zijn sowieso al veeleisend: als je hun opdringerige hangerigheid na het uitvliegen vergelijkt met jonge mussen of mezen, dan is er heus een wereld van verschil. De zelfredzaamheid van laatstegenoemde vogelsoorten is vele malen groter. Of zou het bij de merelkuikens om een vorm van aangeleerde hulpeloosheid gaan - of erger: gemakzucht?

Afijn, er staan mama-merel nog harde tijden te wachten. Ik hou de riek bij de hand, zodat ik toch af en toe eens wat flinke voren in de aarde kan trekken, die de regenwormen naar de vraatzucht van haar merelkuikens kunnen leiden...